|
Cello
De cello (kort voor violoncello, ook wel violoncel) behoort tot de groep van de strijkinstrumenten. De cello heeft een lage en warme klank, maar er kan ook heel hoog op gespeeld worden.
De eerste cello werd in de 16e eeuw gebouwd in Italië en waarschijnlijk heeft Gasparo da Salo (1540-1609) de definitieve vorm aan dit instrument gegeven. Als uitvinder van de cello wordt Tardieu, een geestelijke uit Tarascon, beschouwd.
De eerst afbeelding van een cello is op een fresco van Gaudenzio Ferrari uit 1935, waarop een engel een cello bespeeld.
Eerder dan de cello bestond de Viola da Gamba, die onder andere te onderscheiden is van de cello doordat de viola 6 snaren heeft. De cello heeft er 4. De cello zou ontwikkeld zijn uit de grotere viola da gamba, die tussen de benen werd geklemd.
Door de beroemde vioolbouwer Andrea Guarneri uit Cremona werd een kleinere en beter klinkende versie van de cello ontwikkelde. Ook Francesco Ruggieri bouwde veel celli in deze periode.
De cello werd pas aan het begin van de 17e eeuw echt van belang. De cello werd gebruikt als basso continuo-instrument, waarbij de cellist de baspartij van het klavecimbel meespeelt.
Later, ondersteunden de celli in orkesten vooral de harmonieën van andere instrumenten. De cello werd op een gegeven moment zo van belang, dat de vioolbouwer Stradivarius zelfs het bouwen van basviolen stopte ten gunste van de cello.
Vanaf het begin van de 18e eeuw heeft bijna iedere componist voor cello geschreven. De speeltechniek werd hierbij tot grotere hoogte opgevoerd. De expressie mogelijkheden van het instrument werden ook steeds meer benut.
De cello werd tot in de 19e eeuw altijd tussen de knieën geklemd. Adrien-François Servais, een Belgische cellist, gebruikte voor het eerst een pin om de cello op te laten rusten.
Kunstschilders hebben de cello vanaf de 17e eeuw regelmatig afgebeeld. Familieportretten met muziekinstrumenten stonden daarbij symbool van de harmonie die in een familie heerste.
De cello is ongeveer 120 cm lang. Kleinere afmetingen van de cello worden aangeduid als 1/16, 1/8, 1/4, 1/2 en 3/4 cello's. De cello is bespannen met vier snaren en heeft twee f-gaten. De snaren van de cello zijn van hoog naar laag gestemd: A, D, G, C. De snaren lopen vanaf het staartstuk over de kam naar de stemsleutels aan de bovenzijde van de hals, onder de krul. De kam bevindt zich tussen de klankgaten op het bovenblad. Het stemmen gebeurt met de grote stemknoppen aan de bovenzijde of, indien aanwezig, met de fijnstem-knoppen aan de benedenzijde van het staartstuk. Het instrument wordt op de juiste speelhoogte gebracht door het uitschuiven van de metalen staartpin aan de onderzijde. Cello's die in de authentieke uitvoeringspraktijk van de oude muziek worden gebruikt hebben deze pin niet. Deze instrumenten worden door de musicus op de juiste hoogte gehouden door ze tussen de benen te klemmen.
|