Home
Repertoire
Geluidsfragmenten
Uitvaartmuziek
Fotogalerij
Biografieën
Referenties
Tarieven
Aanvraagformulier

Hiernaast treft u een beschrijving aan van de instrumenten waarop de dames van Les Etoiles spelen.

22/8/2010

Klaar voor een nieuw seizoen.
Lees verder...

 

Fluit
Fluit

De dwarsfluit - in een klassiek orkest gewoon fluit genoemd - wordt, zoals de naam aangeeft, dwars op de lippen geblazen; de luchtstroom uit de mond staat haaks op de boring van het instrument. De kleinere en hoger gestemde uitvoering wordt piccolo genoemd, de grotere uitvoeringen altfluit en basfluit. De moderne dwarsfluit, tegenwoordig meestal van metaal, is door Theobald Böhm ontwikkeld uit de traverso (barokfluit), die meestal van hout was. Böhm ontwierp een kleppensysteem waardoor het mogelijk is om met 10 vingers volledig chromatisch te kunnen spelen. Dit kleppensysteem (Böhm-systeem) is later (ten dele) overgenomen voor andere blaasinstrumenten, zoals de hobo en de klarinet. Ook wijzigde hij de boring van de fluit: het kopstuk van de Böhmfluit is conisch en niet cilindrisch zoals bij de traverso, terwijl het corpus juist cilindrisch is, in tegenstelling tot het conische (taps toelopende) corpus van de traverso. De moderne piccolo heeft overigens nog wel de "oude" boring zoals de traverso die had.

Een dwarsfluit bestaat uit een smalle, rechte buis met drie onderdelen, namelijk het kopstuk met een lipplaat, het middenstuk met kleppen die door de vingers bewogen kunnen worden en het voetje als extraatje om nog lagere noten te kunnen spelen. Hij wordt bij het spelen dwars naar rechts gehouden. De dwarsfluit heeft een toonomvang van meer dan 3 octaven.

De klank in de dwarsfluit wordt gevormd door luchtsplitsing. De lucht wordt gespleten door de rand van het gaatje in het kopstuk. Het stemmen van dit instrument gebeurt door het induwen of uittrekken van het kopstuk. Men moet het instrument inkorten voor een hogere toon en uittrekken voor een lagere toon. Men kan ook de toon een beetje veranderen door de lipspanning aan te passen. Om een mooie toon te krijgen moet men de tanden van elkaar houden, het gaatje in het kopstuk voor niet meer dan twee derde bedekken, en een mooie rechte houding aannemen.

Hoewel dwarsfluiten tegenwoordig vaak van metaal worden gemaakt, worden ze traditioneel tot de houtblazers gerekend. Van alle houtblazers heeft een dwarsfluit het kleinste aantal kleppen.


Viool
Viool

De viool is een snaarinstrument met vier snaren. De klank wordt voortgebracht door de snaren in trilling te brengen met een strijkstok of door te tokkelen met de vingers. De houten klankkast dient om het geluid van de trillende snaren te versterken. De viool wordt doorgaans bespeeld door het instrument tussen kin en schouder te klemmen en met de vingers van de linkerhand de snaren af drukken tegen de ebbenhouten toets om zodoende de snaar te verkorten (en dus hoger te doen klinken).

Wie de eerste viool heeft gemaakt is onbekend. Algemeen wordt aangenomen dat de viool rond 1550 in Italië ontstond in de vioolbouwcentra Brescia en Cremona. In de middeleeuwen bestonden er veel verschillende snaarinstrumenten. Sommige werden getokkeld, zoals de luit, andere werden gestreken, zoals de vedel en de rebec, een smal peervormig instrument. Ook de elegante lira da braccio, die al de vorm van de huidige viool had, kan als een voorloper worden beschouwd.

De vier snaren zijn normaliter als volgt gestemd, van laag naar hoog: G, D, A, E. In sommige gevallen wordt door de componist een afwijkende stemming (ofwel 'scordatura') voorgeschreven.

De G-, D- en A-snaar zijn vaak van kunststof, omwikkeld met metaalfolie en titanium en slechts zelden is sprake van een staalsnaar. De betere snaren zijn echter vervaardigd uit schapendarm. De E-snaar is doorgaans van massief metaal. Vroeger werd alleen schapendarm gebruikt. Door de gebrekkige technologie waren snaren moeilijk homogeen te maken, hetgeen de klank negatief beïnvloedde. De tegenwoordige darmsnaren hebben dit nadeel niet meer. Darmsnaren zijn wel gevoeliger voor vocht, zodat de viool sneller ontstemt.

De klank van de viool kan worden verzacht door een sourdine (houten of kunststof demper) op de kam te zetten. Voor studiedoeleinden kan men de viool heel zacht laten klinken met een zware metalen demper (hotelsourdine).

Meestal wordt de viool met de strijkstok bespeeld. Naast de strijktechniek (arco) wordt de viool soms ook pizzicato bespeeld (door met een vinger te tokkelen - meestal met de stok in de hand). Soms wordt col legno gespeeld door met het hout van de strijkstok op de snaren te 'slaan'.


Cello
Cello

De cello (kort voor violoncello, ook wel violoncel) behoort tot de groep van de strijkinstrumenten. De cello heeft een lage en warme klank, maar er kan ook heel hoog op gespeeld worden.

De eerste cello werd in de 16e eeuw gebouwd in Italië en waarschijnlijk heeft Gasparo da Salo (1540-1609) de definitieve vorm aan dit instrument gegeven. Als uitvinder van de cello wordt Tardieu, een geestelijke uit Tarascon, beschouwd.

De eerst afbeelding van een cello is op een fresco van Gaudenzio Ferrari uit 1935, waarop een engel een cello bespeeld.

Eerder dan de cello bestond de Viola da Gamba, die onder andere te onderscheiden is van de cello doordat de viola 6 snaren heeft. De cello heeft er 4. De cello zou ontwikkeld zijn uit de grotere viola da gamba, die tussen de benen werd geklemd.

Door de beroemde vioolbouwer Andrea Guarneri uit Cremona werd een kleinere en beter klinkende versie van de cello ontwikkelde. Ook Francesco Ruggieri bouwde veel celli in deze periode.

De cello werd pas aan het begin van de 17e eeuw echt van belang. De cello werd gebruikt als basso continuo-instrument, waarbij de cellist de baspartij van het klavecimbel meespeelt. Later, ondersteunden de celli in orkesten vooral de harmonieën van andere instrumenten. De cello werd op een gegeven moment zo van belang, dat de vioolbouwer Stradivarius zelfs het bouwen van basviolen stopte ten gunste van de cello.

Vanaf het begin van de 18e eeuw heeft bijna iedere componist voor cello geschreven. De speeltechniek werd hierbij tot grotere hoogte opgevoerd. De expressie mogelijkheden van het instrument werden ook steeds meer benut.

De cello werd tot in de 19e eeuw altijd tussen de knieën geklemd. Adrien-François Servais, een Belgische cellist, gebruikte voor het eerst een pin om de cello op te laten rusten. Kunstschilders hebben de cello vanaf de 17e eeuw regelmatig afgebeeld. Familieportretten met muziekinstrumenten stonden daarbij symbool van de harmonie die in een familie heerste.

De cello is ongeveer 120 cm lang. Kleinere afmetingen van de cello worden aangeduid als 1/16, 1/8, 1/4, 1/2 en 3/4 cello's. De cello is bespannen met vier snaren en heeft twee f-gaten. De snaren van de cello zijn van hoog naar laag gestemd: A, D, G, C. De snaren lopen vanaf het staartstuk over de kam naar de stemsleutels aan de bovenzijde van de hals, onder de krul. De kam bevindt zich tussen de klankgaten op het bovenblad. Het stemmen gebeurt met de grote stemknoppen aan de bovenzijde of, indien aanwezig, met de fijnstem-knoppen aan de benedenzijde van het staartstuk. Het instrument wordt op de juiste speelhoogte gebracht door het uitschuiven van de metalen staartpin aan de onderzijde. Cello's die in de authentieke uitvoeringspraktijk van de oude muziek worden gebruikt hebben deze pin niet. Deze instrumenten worden door de musicus op de juiste hoogte gehouden door ze tussen de benen te klemmen.

 
Copyright © 2010, Les Etoiles
Webmaster: Tessa Severijns